SENTENCE STRUCTURE (2)
This is a exercise about sentence structure in Dutch. Put the different constituents of the following four declarative sentences in the correct order. Type your answers in the blanks. Start your sentence with a word with a capital letter. Do not copy the slashes in your answer. Pay attention to correct spelling and punctuation. Note that for some sentences there is more than one correct answer possible. Use the 'check' button to correct your answer. If you do not know the correct answer, please click on 'show answer'. Once you have finished the exercise, you will be given a score. If your score is below 70% we advise you to review the grammar.
Example:
De eerste minister / naar Frankrijk / gaat / morgen
[Answer] De eerste minister gaat morgen naar Frankrijk.
vinden / Mijn kinderen / het / altijd / hier / leuk
die in de bank stonden / die gisteren gearresteerd zijn / vuurden / De overvallers / met machinegeweren / op de klanten
[vuren op: to fire; overvaller, de: attacker; machinegeweer, het: machine gun]
vertrekken / met de auto / volgende week / Jan en Marie / naar Zuid-Frankrijk
een lekkere taart / Gisteren / we / bakten / voor de verjaardag van moeder
mijn zus / snel / haar paraplu / Om niet nat te worden / opent
haalt / de jongen / nu / die daar zit / veel betere resultaten / In verhouding tot vorig jaar
depressief / was / ze / Na dat ongeval / jaren / waarbij haar vader omkwam
met de auto / mijn moeder / die mijn broer voor haar kocht / tegen het huis van de buren / Met grote snelheid / reed