Glossary

 

This Glossary includes the vocabulary of the text fragments in the General Module. It does not give all possible meanings for every word, only those that are relevant for the texts of the Units. Where possible, the word will be explained in Dutch first, which is then followed by an English translation.

Some of the explanations in Dutch are inspired by the Dutch dictionary Nederlands als Tweede taal (NT2) (Van Dale: 2003) and by the online version of Van Dale Hedendaags Woordenboek.

 

A

B

C

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

Q

R

S

T

U

V

W

X

Y

Z

 

 

Aan [prep]

:

‘aan’ geeft aan dat iets met iets verbonden is; ‘aan’ wordt gebruikt om uit te drukken voor wie iets is

[on; by; with; to]

 

Aanbieden [bood aan, heeft aangeboden]

:

 geven

[to offer]

 

Aanpakken [pakte aan, heeft aangepakt]

:

 beginnen op te lossen

[to tackle]

 

Aantal, het [aantallen]

:

 de hoeveelheid

[number]

 

Aanvaarden [aanvaardde, heeft aanvaard]

:

 aannemen; accepteren

[to accept]

 

Aanvragen [vroeg aan, heeft aangevraagd]

:

 vragen om iets te krijgen

[to request]

 

Achter [prep]

:

<=> voor

 [behind]

 

Actie, de [acties]

:

 iets wat je doet

[action]

 

Afnemen [nam af, is afgenomen]

:

 verminderen

[to fall]

 

Afzien van [zag af van, heeft afgezien van]

:

 niet doen wat je van plan was

[to renounce; to forego]

 

Afzonderlijk [adj]

:

 apart; los van andere zaken

[separate]

 

Akkoord, het [akkoorden]

:

 de overeenkomst

[agreement]

 

Al [pron]

:

 allemaal

[all]

 

Al [adv]

:

 reeds

[already]

 

Algemeen [adj]

:

 iets wat algemeen is, is voor of van iedereen

[general]

 

Alleen [adv]

:

 slechts

[only]

 

Alles [pron]

:

 alle dingen

[everything]

 

Allochtoon, de [allochtonen]

:

 een persoon die in een ander land geboren is of van wie een of beide ouders in een ander land geboren zijn

[immigrant]

 

Als [conj]

:

 wanneer; op voorwaarde dat

[when; if]

 

Ander [adj]

:

 een andere zaak, is niet dezelfde zaak

[other]

 

Anders [adv]

:

 in een ander geval

[otherwise]

 

Antwoorden [antwoordde, heeft geantwoord]

:

 een antwoord geven op een vraag

[to answer]

 

Arbeider, de [arbeiders]

:

 iemand die met zijn handen werkt voor geld

[labourer]

 

Arbeidsmarkt, de [arbeidsmarkten]

:

 het geheel van de banen die aangeboden worden en de banen waar mensen naar zoeken

[labour market]

 

Arbeidsplaats, de [arbeidsplaatsen]

:

 de job; de baan

[job]

 

Arm [adj]

:

 met weinig geld en middelen

[poor]

 

Armoede, de

:

 een situatie waarin iemand te weinig geld heeft om te leven

[poverty]

Go to top

 

 

 

 

 

Baan, de [banen]

:

 de job

[job]

 

Basis, de [basissen]

:

 iets waarop iets steunt

[basis]

 

Bedoeling, de [bedoelingen]

:

 het doel

[intention]

 

Bedragen [bedroeg, heeft bedragen]

:

 een bepaald bedrag kosten

[to amount to]

 

Bedrijf, het [bedrijven]

:

 de onderneming

[company]

 

Beginnen [begon, is begonnen]

:

 van start gaan

[to start; to begin]

 

Begrijpen [begreep, heeft begrepen]

:

 snappen

[to understand]

 

Behandelen [behandelde, heeft behandeld]

:

 omgaan met

[to treat]

 

Behoren tot [behoorde tot, heeft behoord tot]

:

 deel uitmaken van

[to belong to]

 

Beide [pron]

:

 elk van de twee

[each]

 

Belangrijk [adj]

:

 van groot belang

[important]

 

Beleid, het

:

 de manier waarop belangrijke zaken worden geregeld

[policy]

 

Belgisch [adj]

:

 Belgische zaken hebben met België te maken

[Belgian]

 

Bepaald [adj]

:

 iets wat bepaald is, onderscheidt zich van andere zaken

[specific]

 

Beperken [beperkte, heeft beperkt]

:

 minder of kleiner maken

[to limit]

 

Beroep, het [beroepen]

:

 een functie of vak waarmee je meestal geld verdient

[job]

 

Beschikken over [beschikte over, heeft beschikt over]

:

 hebben

[to have]

 

Beschouwen als [beschouwde als, heeft beschouwd als]

:

 beoordelen als

[to consider]

 

Bestaan [bestond, heeft bestaan]

:

 zijn

[to exist]

 

Bestaan uit [bestond uit, heeft bestaan uit]

:

 uit iets opgebouwd zijn

[to consist of]

 

Betalen [betaalde, heeft betaald]

:

 geld geven om iets te kopen

[to pay]

 

Betekenis, de [betekenissen]

:

 de waarde; de inhoud

[meaning; sense]

 

Bevestigen [bevestigde, heeft bevestigd]

:

 zeggen dat iets waar is

[to confirm]

 

Bevoegd zijn voor [was bevoegd voor, is bevoegd geweest voor]

:

 verantwoordelijk zijn voor

[to be responsible for]

 

Bevolking, de

:

 alle mensen die samen in een bepaald gebied of land wonen

[population]

 

Bezitten [bezat, heeft bezeten]

:

 hebben

[to own; to have]

 

Bezoeken [bezocht, heeft bezocht]

:  

 naar een plaats of naar mensen komen

[to visit]

 

Bij [prep]

:

 in de buurt van iets of iemand; ‘bij’ wordt gebruikt als iets of iemand wordt toegevoegd

[near; with]

 

Bijdragen [droeg bij, heeft bijgedragen]

:

 een aandeel leveren

[to contribute]

 

Bijna [adv]

:

 net niet volledig

[almost]

 

Bijstand, de

:

 geld dat je van de overheid krijgt als je zelf weinig geld hebt

[social security]

 

Binnen [prep]

:

 <=> buiten

[in]

 

Blijken [bleek, is gebleken]

:

 duidelijk zijn

[to show]

 

Blijven [bleef, is gebleven]

:

 met iets doorgaan

[to continue]

 

Bouwen [bouwde, heeft gebouwd]

:

 uit verschillende delen iets maken

[to build]

 

Boven [prep]

:

 op een hogere plaats dan

[above]

 

Brief, de [brieven]

:

 een tekst die je schrijft en dan per post naar iemand stuurt

[letter]

 

Buiten [prep]

:

 je bent buiten, als je niet in een ruimte bent; <=> binnen

[out; outside]

 

Buitenlands [adj]

:

 buitenlandse zaken gaan over het buitenland

[foreign]

 

Burger, de [burgers]

:

 de inwoner van een dorp, stad of land

[citizen]

 

Bus, de [bussen]

:

 de autobus

[bus]

Go to top

 

 

 

 

 

Conclusie, de [conclusies]

:

 het besef waar je toe komt nadat je hebt nagedacht

[conclusion]

 

Creëren [creëerde, heeft gecreëerd]

:

 maken; scheppen

[to create]

Go to top

 

 

 

 

 

Daar [adv]

:

 op die plaats

[there]

 

Daarna [adv]

:

 na een eerder genoemd moment

[afterwards]

 

Daarnaast [adv]

:

 bovendien

[besides]

 

Daarom [adv]

:

 om die reden

[therefore; for that reason]

 

Dag, de [dagen]

:

 de periode dat het licht is; <=> nacht  

[day]

 

Daling, de [dalingen]

:

 de keer dat iets naar beneden gaat

[decline]

 

Dan [adv]

:

 op die tijd; vervolgens

[then]

 

Dan [conj]

:

 ‘dan’ wordt gebruikt om een vergelijking te maken na een vergrotende trap

[than]

 

Deel, het [delen]

:

 het stuk

[part]

 

Denken [dacht, heeft gedacht]

:

 een bepaalde mening hebben

[to think]

 

Dezelfde [pron]

:

 'dezelfde' wordt gebruikt als iets gelijk is aan iets anders

[same]

 

Dienen [diende]

:

 moeten

[to have to]

 

Dikwijls [adv]

:

 vaak

[often]

 

Ding, het [dingen]

:

 de zaak

[thing]

 

Dinsdag, de [dinsdagen]

:

 de tweede dag van de week

[Tuesday]

 

Doen [deed, heeft gedaan]

:

 een handeling verrichten

[to do]

 

Door [prep]

:

 van de ene naar de andere kant; wegens; ‘door’ wordt gebruikt om te zeggen wie iets doet (in een passieve zin)

[because of; through; by]

 

Dringend [adj]

:

 iets wat dringend is, is belangrijk en moet snel gedaan worden

[urgent]

 

Duidelijk [adj]

:

 helder

[clear]

 

Duren [duurde, heeft geduurd]

:

 een bepaalde tijd nodig hebben

[to last]

 

Durven [durfde, heeft gedurfd]

:

 de moed hebben

[to dare]

 

Dus [conj]

:

 ‘dus’ wordt gebruikt om te zeggen dat iets een logisch gevolg is van iets anders

[for that reason]

 

Duur [adj]

:

 <=> goedkoop

[expensive]

Go to top

 

 

 

 

 

Echter [adv]

:

 maar

[however]

 

Economisch [adj]

:

 economische zaken hebben met de economie te maken

[economic]

 

Eerder [adv]

:

 vroeger in de tijd

[rather; sooner]

 

Eerlijk [adj]

:

 als je eerlijk bent, spreek je de waarheid

[honest]

 

Eigen [adj]

:

 van jezelf

[own]

 

Einde, het

:

 het laatste deel van iets

[end]

 

Eisen [eiste, heeft geëist]

:

 met nadruk vragen

[to demand]

 

Elk [pron]

:

 ieder

[each]

 

Erg [adj]

:

 zeer

[very]

 

Ernstig [adj]

:

 een ernstig iemand denkt veel na en maakt weinig grapjes

[serious]

Go to top

 

 

 

 

 

Fabricage, de [fabricages]

:

 het maken

[production]

 

Fietser, de [fietsers]

:

 iemand die op een fiets rijdt

[biker]

 

File, de [files]

:

 een rij auto’s die traag rijden of stilstaan

[queue]

 

Fiscaal [bn]

:

 een fiscale zaak gaat over de belasting

[tax; fiscal]

 

Fors [adj]

:

 flink

[considerable]

 

Fraude, de

:

 bedrog met geld

[fraud]

 

Functie, de [functies]

:

 de taken die bij de baan van iemand horen; het ambt

[post; position]

Go to top

 

 

 

 

 

Gaan [ging, is gegaan]

:

 beginnen met iets te doen; bewegen in een bepaalde richting

[to start; to go]

 

Gans [adj]

:

 geheel; volledig

[whole ; entire]

 

Gebeuren [gebeurde, is gebeurd]

:

 plaatsvinden

[to happen; to take place]

 

Gebeurtenis, de [gebeurtenissen]

:

 iets wat gebeurd is

[event]

 

Gebied, het [gebieden]

:

 de streek

[area]

 

Gebruik maken van [maakte gebruik van, heeft gebruik gemaakt van]

:

 gebruiken

[to make use of]

 

Gebruiken [gebruikte, heeft gebruikt]

:

 als hulpmiddel hebben

[to use]

 

Gedurende [prep]

:

 in de periode van

[during]

 

Geen [pron]

:

 niet één; niet

[not a; not]

 

Geld, het

:

 munten en papieren waar je iets mee koopt

[money]

 

Geloven [geloofde, heeft geloofd]

:

 denken dat iets waar is

[to believe]

 

Gelukkig [bn]

:

 iemand die gelukkig is, is blij en zonder zorgen

[happy]

 

Gemakkelijk [adj]

:

 met weinig moeite

[easy]

 

Gemeenschap, de [gemeenschappen]

:

 de samenleving

[community; society]

 

Genoeg [pron]

:

 voldoende

[enough]

 

Gepensioneerde, de [gepensioneerden]

:

 iemand die niet meer werkt omdat hij of zij ouder is dan 65 jaar

[pensioner]

 

Geven [gaf, heeft gegeven]

:

 schenken

[to give]

 

Gevolg, het [gevolgen]

:

 iets wat logisch op iets anders volgt

[consequence]

 

Gewoonlijk [adv]

:

 zoals het meestal is of gebeurt

[usually]

 

Goed [adj; beter, best]

:

<=> slecht

[good]

 

Goederen, de

:

 de dingen

[goods]

 

Graag [adv]

:

 met plezier

[gladly; willingly]

 

Gratis [adj]

:

 voor iets dat gratis is, moet je niet betalen

[free]

 

Groei, de

:

 het feit dat iets groter wordt

[growth]

 

Groeien [groeide, is gegroeid]

:

 groter worden

[to grow]

 

Groep, de [groepen]

:

 een aantal mensen of voorwerpen die bij elkaar horen

[group]

 

Groot [adj]

:

 <=> klein

[large; big; tall; great]

 

Gunstig [adj]

:

 positief

[positive]

Go to top

 

 

 

 

 

Halen [haalde, heeft gehaald]

:

 krijgen na een prestatie

[to get]

 

Handel, de

:

 het kopen en verkopen

[trade]

 

Haven, de [havens]

:

 een plaats op het land waar schepen aankomen

[port]

 

Hebben [had, heeft gehad]

:

 bezitten

[to have]

 

Heel [adj]

:

 geheel; gans

[whole]

 

Heel [adv]

:

 zeer

[very (much)]

 

Helft, de [helften]

:

 50 procent van het geheel

[half]

 

Herzien [herzag, heeft herzien]

:

 opnieuw bekijken

[to reconsider]

 

Heten [heette]

:

 een bepaalde naam hebben

[to be called]

 

Hier [adv]

:

 op deze plaats

[here]

 

Hoe [adv]

:

 op welke manier

[how]

 

Hoewel [conj]

:

 ‘hoewel’ wordt gebruikt in een tegenstelling

[even though; although]

 

Hoofd, het [hoofden]

:

 de leider van iets

[head]

 

Hoog [adj]

:

<=> laag

[high]

 

Hopen [hoopte, heeft gehoopt]

:

 verwachten dat iets gaat gebeuren wat je graag wil

[to hope]

 

Huishouden, het [huishoudens]

:

 de bewoners van een huis

[household]

Go to top

 

 

 

 

 

Iedereen [pron]

:

 alle mensen

[everyone]

 

Iemand [pron]

:

 een onbepaalde persoon

[somebody; someone]

 

Iets [adv]

:

 een beetje

[a little]

 

Iets [pron]

:

 een ding

[something]

 

In [prep]

:

 <=> uit

[in]

 

Indien [conj]

:

 als

[if]

 

Indruk, de [indrukken]

:

 de impressie

[impression]

 

Inflatie, de

:

 het feit dat geld minder waarde heeft

[inflation]

 

Invullen [vulde in, heeft ingevuld]

:

 de inhoud van iets bepalen

[to fill in]

Go to top

 

 

 

 

 

Jaar, het [jaren]

:

 de tijd tussen 1 januari en 31 december

[year]

 

Jaarlijks [adj]

:

 elk jaar

[yearly]

 

Jong [adj]

:

<=> oud

[young]

 

Jongere, de [jongeren]

:

 een persoon die tussen 14 tot 20 jaar oud is

[young person]

 

Juist [adj]

:

 goed; correct

[right; correct]

Go to top

 

 

 

 

 

Kennis, de

:

 het weten hoe of wat iets of iemand is

[knowledge]

 

Klein [adj]

:

 <=> groot

[small; little]

 

Klimmen [klom, is geklommen]

:

 stijgen

[to climb]

 

Komen [kwam, is gekomen]

:

 een plaats bereiken

[to come]

 

Kosten [kostte, heeft gekost]

:

 te koop zijn voor een bedrag

[to cost]

 

Krijgen [kreeg, heeft gekregen]

:

 ontvangen

[to get; to receive]

 

Kunnen [kon, heeft gekund]

:

 tot iets in staat zijn

[to be able to; can]

Go to top

 

 

 

 

 

Laag [adj]

:

 <=> hoog

[low]

 

Laatst [adj]

:

 op iets wat laatst is, volgt niets meer

[last]

 

Land, het [landen]

:

 een gebied met grenzen waarin een of meerdere volken samenleven

[country]

 

Lang [adj]

:

 met grote lengte

[long]

 

Laten [liet, heeft gelaten]

.

 zorgen dat iemand iets doet

[to let]

 

Later [adv]

:

 daarna; in de toekomst

[later]

 

Leeftijd, de [leeftijden]

:

 het aantal jaren dat je geleefd hebt

[age]

 

Leiden [leidde, heeft geleid]

:

 naar een bepaald punt laten gaan

[to lead]

 

Leider, de [leiders]

:

 iemand die aan het hoofd van iets staat

[leader]

 

Leren [leerde, heeft geleerd]

:

 door te studeren of te oefenen iets kunnen

[to learn]

 

Leven [leefde, heeft geleefd]

:

 <=> dood zijn; overleven

[to live; to surivive]

 

Leven, het [levens]

:

 het bestaan

[life]

 

Licht [adj]

:

 klein

[slight]

 

Lijken [leek, heeft geleken]

:

 een bepaalde indruk geven

[to seem]

 

Lopen [liep, heeft gelopen]

:

 gaan

[to walk]

 

Luisteren [luisterde, heeft geluisterd]

:

 met aandacht horen

[to listen]

Go to top

 

 

 

 

 

Maand, de [maanden]

:

 de twaalf delen van het jaar; een maand telt ongeveer 30 dagen

[month]

 

Maar [conj]

:

 ‘maar’ wordt gebruikt om een tegenstelling in te leiden

[but]

 

Maatregel, de [maatregelen]

:

 een regeling om iets te organiseren of te veranderen

[measure]

 

Macht, de [machten]

:

 de invloed die iemand heeft door zijn baan

[power]

 

Maken [maakte, heeft gemaakt]

:

 doen ontstaan

[to make]

 

Man, de [mannen]

:

 de mannelijke persoon

[man]

 

Manier, de [manieren]

:

 de wijze

[way; manner]

 

Meedelen [deelde mee, heeft meegedeeld]

:

 laten weten

[to announce]

 

Men [pron]

:

 de mensen

[one]

 

Menen [meende, heeft gemeend]

:

 geloven

[to believe]

 

Mens, de [mensen]

:

 de persoon

[human; man; plur: people]

 

Merendeel, het

:

 het grootste deel

[greater part]

 

Met [prep]

:

 ‘met’ wordt gebruikt om aan te geven dat iets of iemand erbij is

[with]

 

Middel, het [middelen]

:

 iets waarmee je een bepaald doel probeert te bereiken

[means]

 

Milieu, het

:

 het water, de natuur, de lucht enz die om alle mensen heen bestaat

[environment]

 

Moeilijkheid, de [moeilijkheden]

:

 iets wat moeilijk is; het probleem

[difficulty]

 

Moeite, de

:

 de inspanning die nodig is om iets te doen

[effort]

 

Moeten [moest, heeft gemoeten]

:

 noodzakelijk zijn

[to have to]

 

Mogen [mocht, heeft gemogen]

:

 toestemming hebben

[to be allowed; may]

 

Momenteel [adv]

:

 nu

[at the moment; now]

Go to top

 

 

 

 

 

Naam, de [namen]

:

 het woord dat zegt hoe iemand heet

[name]

 

Naar [prep]

:

 in de richting van

[in the direction of; to]

 

Naast [prep]

:

 aan de zijkant van

[beside]

 

Nadat [conj]

:

 na het ogenblik dat

[after]

 

Nadeel, het [nadelen]

:

 iets wat niet gunstig is

[disadvantage]

 

Nederlands [adj]

:

 iets wat Nederlands is, heeft te maken met Nederland

[Dutch]

 

Nemen [nam, heeft genomen]

:

 pakken

[to take]

 

Niemand [pron]

:

 geen enkele persoon

[nobody; no-one]

 

Niet [adv]

:

 ‘niet’ wordt gebruikt om iets te ontkennen

[not]

 

Niets [pron]

:

 geen enkel ding

[nothing]

 

Nieuw [adj]

:

 <=> oud

[new]

 

Nodig [adj]

:

 iets wat nodig is, kan niet gemist worden

[necessary]

 

Noemen [noemde, heeft genoemd]

:

 vermelden door de naam te zeggen

[to call; to name]

 

Nog [adv]

:

 tot op dit moment

[still]

 

Nu [adv]

:

 op dit moment

[now]

Go to top

 

 

 

 

 

Of [conj]

:

 ‘of’ wordt gebruikt om aan te geven dat er meer mogelijkheden zijn; ‘of’ wordt gebruikt om aan te geven dat iets  niet zeker is of gekend

[or; whether]

 

Omdat [conj]

:

 vanwege de reden dat

[because]

 

Omhooggaan [ging omhoog, is omhooggegaan]

:

 stijgen

[to increase; to go up]

 

Onder [prep]

:

 tussen; tijdens; lager dan iets anders

[under; below; among]

 

Onder de loep nemen [nam onder de loep, heeft onder de loep genomen]

:

 bestuderen

[to examine]

 

Onderhandelen [onderhandelde, heeft onderhandeld]

:

 over iets praten om te proberen een overeenkomst te vinden

[to negotiate]

 

Onderneming, de [ondernemingen]

:

 het bedrijf

[business]

 

Onderwijs, het

:

 lessen die gegeven worden

[education]

 

Onderzoek, het [onderzoeken]

:

 de keer dat iemand probeert te weten te komen hoe iets is

[research]

 

Onderzoeken [onderzocht, heeft onderzocht]

:

 proberen te weten te komen hoe iets is

[to examine]

 

Onmiddellijk [adj]

:

 meteen

[immediate]

 

Ontslaan [ontsloeg, heeft ontslagen]

:

 iemand laten weten dat hij niet langer bij jou werkt

[to fire]

 

Ontvangen [ontving, heeft ontvangen]

:

 als gast begroeten; krijgen

[to receive]

 

Ontwikkeling, de [ontwikkelingen]

:

 de manier waarop iets gebeurt en verandert

[development]

 

Onvoldoend [adj]

:

 niet genoeg of niet goed genoeg

[insufficient]

 

Ook [adv]

:

 eveneens; bovendien

[also; too]

 

Oordelen [oordeelde, heeft geoordeeld]

:

 een oordeel geven

[to judge]

 

Oorzaak, de [oorzaken]

:

 de reden

[cause]

 

Op [prep]

:

 ‘op’ wordt gebruikt om te zeggen waar iets is of gebeurt; ‘op’ wordt gebruikt om te zeggen wanneer iets gebeurt

 [on; at]

 

Opdat [conj]

:

 ‘opdat’ wordt gebruikt om een doel aan te geven

[in order to]

 

Open [adj]

:

 <=> gesloten

[open]

 

Openbaar vervoer, het

:

 het vervoer dat voor iedereen is

[public transport]

 

Openen [opende, heeft geopend]

:

 iets openmaken

[to open]

 

Opleveren [leverde op, heeft opgeleverd]

:

 als resultaat hebben

[to yield]

 

Over [prep]

:

 van de ene naar de andere kant; aangaande

[across; about]

 

Overal [adv]

:

 op alle plaatsen

[everywhere]

 

Overheid, de [overheden]

:

 de regering

[government]

 

Overig [adj]

:

 overige dingen zijn andere dingen, die overblijven

[other]

Go to top

 

 

 

 

 

Paar, een

:

 een aantal

[a few; a couple]

 

Pensioen, het [pensioenen]

:

 het geld dat je krijgt als je vanwege je ouderdom stopt met werken

[pension]

 

Periode, de [perioden, periodes]

:

 een bepaalde tijd

[period]

 

Plaats, de [plaatsen]

:

 een punt in een reeks; de plek

[spot]

 

Pleiten [pleitte, heeft gepleit]

:

 proberen te bereiken

[to plead]

 

Politie, de

:

 de groep mensen die de orde in een land houden

[police]

 

Prijs, de [prijzen]

:

 de som geld die je voor iets moet betalen

[price]

 

Proberen [probeerde, heeft geprobeerd]

:

 zich inspannen om iets te bereiken; trachten

[to try]

 

Probleem, het [problemen]

:

 een moeilijke situatie

[problem]

Go to top

 

 

 

 

 

Raad, de

:

 de dingen die je zegt om iemand te helpen

[counsel; advice]

 

Reden, de [redenen]

:

 het feit waarom iemand iets bepaald doet

[reason]

 

Reeds [adv]

:

 al

[already; yet]

 

Regering, de [regeringen]

:

 het bestuur van een land

[government]

 

Regionaal [adj]

:

 iets wat regionaal is, is van en voor de streek

[regional]

 

Reiziger, de [reizigers]

:

 iemand die reist

[traveller]

 

Rest, de [resten]

:

 dat wat er overblijft

[remainder; rest]

 

Resultaat, het [resultaten]

:

 dat wat iets oplevert

[result]

 

Rijk [adj]

:

 met veel geld

[rich]

Go to top

 

 

 

 

 

Salaris, het [salarissen]

:

 het loon

[salary]

 

Scheiden [scheidde, heeft gescheiden]

 

in delen of groepen verdelen; splitsen

[to separate]

 

Schijnen [scheen]

:

 de indruk geven

[to appear]

 

School, de [scholen]

:

 een plaats waar leerlingen les krijgen

[school]

 

Schoonmaakster, de [schoonmaaksters]

:

 iemand die als beroep huizen en gebouwen schoonmaakt

[(female) cleaner]

 

Schuld, de

:

 de verantwoordelijkheid voor een fout die je maakt

[fault; responsibility]

 

Sector, de [sectoren]

:

 een deel van de maatschappij dat voor de economie belangrijk is

[sector]

 

Sinds [prep]

:

 vanaf

[since]

 

Slagen in iets [slaagde in, is geslaagd in]

:

 iets met succes doen

[to succeed]

 

Slecht [adj]

:

 <=> goed

[bad; evil]

 

Snel [adj]

:

 <=> traag

[quick]

 

Sober [adj]

:

 eenvoudig en zonder luxe

[sober]

 

Sociaal [bn]

:

 met gevoel voor de andere mensen en hun problemen  

[social]

 

Sommige [pron]

:

 een aantal

[some; certain]

 

Staan [stond, heeft gestaan]

:

 op een bepaalde plaats zijn

[to be positioned]

 

Stad, de [steden]

:

 een plaats waar veel mensen samen wonen

[city; town]

 

Steeds [adv]

:

 altijd

[always; constantly]

 

Sterk [adj]

:

 grondig

[serious]

 

Stijgen [steeg, is gestegen]

:

 in waarde omhooggaan

[to grow]

 

Stijging, de [stijgingen]

:

 de keer dat iets naar boven gaat

[rise]

 

Streven naar [streefde naar, heeft gestreefd naar]

:

 proberen te bereiken

[to pursue]

 

Strijd, de

:

 het gevecht

[struggle; fight]

 

Studie, de [studies]

:

 iets wat je studeert

[study]

Go to top

 

 

 

 

 

Te [adv]

:

 meer dan goed is

[too]

 

Tegelijk [adv]

:

 op hetzelfde moment

[at the same time]

 

Tegenover [prep]

:

 ten aanzien van

[towards]

 

Tekort, het [tekorten]

:

 het gebrek

[shortage]

 

Terechtkomen [kwam terecht, is terechtgekomen]

:

 per toeval op een bepaalde plaats komen

[to end up]

 

Terug [adv]

:

 weer naar de plaats waar je van vertrokken bent

[back]

 

Terwijl [conj]

:

 ‘terwijl’ geeft aan dat twee dingen op hetzelfde moment gebeuren

[while]

 

Tijd, de [tijden]

:

 het opeenvolgen van momenten

[time]

 

Tijdens [prep]

:

 gedurende

[during]

 

Toekomst, de

:

 de tijd die nog moet komen

[future]

 

Toen [adv]

:

 op dat moment; daarna

[at that time; then]

 

Toen [conj]

:

 terwijl; op het moment dat

[while; when]

 

Toename, de

:

 de groei

[increase]

 

Toerisme, het

:

 reizen die je voor je plezier maakt

[tourism]

 

Tot [prep]

:

 niet verder dan; niet langer dan

[(up) to; until]

 

Totaal [adj]

:

 geheel

[total]

 

Totaal, het [totalen]

:

 het geheel van alle cijfers of bedragen

[total]

 

Treffen [trof, heeft getroffen]

:

 raken

[to hit; to touch]

 

Trein, de [treinen]

:

 een voertuig dat op rails rijdt en goederen of mensen kan vervoeren

[train]

Go to top

 

 

 

 

 

Uit [prep]

:

 ‘uit’ geeft aan waar iets of iemand vandaan komt; ‘uit’ wordt gebruikt als iets of iemand van binnen naar buiten gaat

[from; out (of)]

 

Uitgave, de [uitgaven]

:

 een som geld die je uitgeeft

[expense(s)]

 

Uitgeven [gaf uit, heeft uitgegeven]

:

 geld besteden

[to spend]

 

Uitkering, de [uitkeringen]

:

 geld dat je krijgt van de overheid omdat je bijvoorbeeld geen werk hebt

[benefit]

Go to top

 

 

 

 

 

Vaak [adv]

:

 veel keer

[often]

 

Vacature, de [vacatures]

:

 een job waarvoor iemand gezocht wordt

[vacancy]

 

Vader, de [vaders]

:

 de man die een zoon of dochter heeft

[father]

 

Vakcentrale, de [vakcentrales]

:

 een vereniging die opkomt voor de belangen van werknemers; vakbond

[trade union]

 

Van [prep]

:

 ‘van’ zegt wie de eigenaar is van iets

[of]

 

Vaststellen [stelde vast, heeft vastgesteld]

:

 constateren

[to find]

 

Veel [adj; meer, meeste]

:

 een groot aantal

[many; a lot]

 

Ver [adj]

:

 op een grote afstand

[far]

 

Verandering, de [veranderingen]

:

 het moment waarop iets of iemand verandert

[change]

 

Verdelen [verdeelde, heeft verdeeld]

:

 in stukken delen

[to divide]

 

Verdienen [verdiende, heeft verdiend]

:

 iets ontvangen voor je werk

[to earn]

 

Vergelijken [vergeleek, heeft vergeleken]

:

 vaststellen wat verschillend en wat hetzelfde is

[to compare]

 

Vergelijking, de [vergelijkingen]

:

 de keer dat je bepaalt wat gelijk en wat verschillend is

[comparison]

 

Vergrijzing, de

:

 een situatie waarin een steeds groter deel van de bevolking uit oude mensen bestaat

[ageing]

 

Vergunning, de [vergunningen]

:

 de officiële toestemming om iets te doen

[permit]

 

Verhogen [verhoogde, heeft verhoogd]

:

 groter of hoger maken

[to raise]

 

Verklaren [verklaarde, heeft verklaard]

:

 uitleggen

[to explain]

 

Verlies, het [verliezen]

:

 wat verloren gaat

[loss]

 

Verminderen [verminderde, is verminderd]

:

 in waarde dalen

[to fall; to diminish]

 

Vernemen [vernam, heeft vernomen]

:

 te weten komen

[to hear; to find out]

 

Veronderstellen [veronderstelde, heeft verondersteld]

:

 je veronderstelt iets, als je denkt dat iets waar is

[to assume]

 

Verschil, het [verschillen]

:

 dat waarin een persoon of een zaak anders is dan een andere persoon of zaak

[difference]

 

Verschillende [pron]

:

 meer dan één

[several]

 

Verslag, het [verslagen]

:

 een verhaal over iets wat gebeurd is

[account]

 

Vertellen [vertelde, heeft verteld]

:

 zeggen

[to tell]

 

Vervolgens [adv]

:

 daarna

[next]

 

Verwachten [verwachtte, heeft verwacht]

:

 denken dat iets zal gebeuren

[to expect]

 

Verwachting, de [verwachtingen]

:

 iets waarvan je denkt dat het zal gebeuren

[expectation]

 

Vinden [vond, heeft gevonden]

:

 aantreffen

[to find]

 

Vlaanderen, het

:

 het deel van België waar men Vlaams spreekt

[Flanders]

 

Voldoende [adv]

:

 genoeg

[sufficient; enough]

 

Volgen [volgde, heeft/is gevolgd]

:

 in dezelfde richting gaan als iets of iemand anders; geregeld deelnemen

[to follow]

 

Volk, het [volkeren]

:

 een grote groep mensen; mensen die samen in een land wonen

[people; nation; race]

 

Voor [prep]

:

 aan de overkant van iets of iemand; <=> na; <=> tegen

[for; before]

 

Vooral [adv]

:

 in het bijzonder; voornamelijk

[especially; in particular]

 

Voorspellen [voorspelde, heeft voorspeld]

:

 van tevoren zeggen wat er gaat gebeuren, terwijl je dat niet zeker weet

[to predict]

 

Voortaan [adv]

:

 van nu af aan

[from now on]

 

Vorig [adj]

:

 een vorige zaak is een zaak die net voor iets kwam

[last]

 

Vraag, de [vragen]

:

 iets wat je zegt en waarop je een antwoord verwacht

[question]

 

Vragen [vroeg, heeft gevraagd]

:

 een vraag stellen

[to ask]

 

Vrouw, de [vrouwen]

:

 een persoon van het vrouwelijk geslacht; <=> man

[woman; wife]

Go to top

 

 

 

 

 

Waar [adv]

:

 ‘waar’ wordt gebruikt om te vragen naar een plaats of iets te zeggen over een plaats

[where]

 

Waarheid, de [waarheden]

:

 iets wat waar is

[truth]

 

Waarom [adv]

:

 om welke reden

[why]

 

Waarschijnlijk [adv]

:

 iets wat waarschijnlijk is, is goed mogelijk

[probably]

 

Want [conj]

:

 omdat

[because]

 

Week, de [weken]

:

 de periode van maandag tot zondag

[week]

 

Weg, de [wegen]

:

 een lang stuk land dat voor het verkeer gebruikt wordt

[road]

 

Weinig [number]

:

 <=> veel

[few]

 

Wereld, de

:

 de aarde waarop alle mensen wonen

[world]

 

Werk, het [werken]

:

 de arbeid; de klus; wat je doet om geld te verdienen

[work; job]

 

Werken [werkte, heeft gewerkt]

:

 arbeid verrichten

[to work]

 

Werkgelegenheid, de

:

 de mate waarin er jobs zijn voor de mensen

[employment]

 

Werkgever, de [werkgevers]

:

 iemand voor wie je werkt

[employer]

 

Werkloosheid, de

:

 de mate waarin er voor sommige mensen geen werk is

[unemployment]

 

Werkloze, de [werklozen]

:

 een persoon die geen baan heeft

[unemployed person]

 

Werknemer, de [werknemers]

:

 iemand die werkt voor iemand anders

[employee]

 

Wet, de [wetten]

:

 een officiële regel van een land die zegt wat mag of niet mag

[law]

 

Weten [wist, heeft geweten]

:

 kennis hebben van iets

[to know]

 

Wijs [adj]

:

 verstandig

[wise]

 

Wijze, de [wijzen]

:

 de manier

[way]

 

Wijziging, de [wijzigingen]

:

 de verandering

[change]

 

Willen [wilde, heeft gewild]

:

 verlangen; graag hebben

[to want]

 

Woord, het [woorden]

:

 een groep letters die samen een betekenis hebben

[word]

 

Worden [werd, is geworden]

:

 ‘worden’ geeft aan dat iets in een bepaalde toestand geraakt, begint te zijn of zal zijn in de toekomst; ‘worden’ geeft aan dat iets of iemand iets ondergaat

[will be; to be; to get; to become]

Go to top

 

 

 

 

 

Zakenmens, de [zakenmensen]

:

 persoon die geld verdient in de handel

[business person]

 

Zeer [adv]

:

 erg

[very]

 

Zeggen [zei, heeft gezegd]

:

 vertellen

[to say]

 

Zelfs [adv]

:

 bovendien

[even]

 

Zelfstandige, de [zelfstandigen]

:

 iemand die voor zichzelf werkt

[self-employed person]

 

Zenden [zond, heeft gezonden]

:

 sturen

[to send]

 

Zien [zag, heeft gezien]

:

 met je ogen waarnemen

[to see]

 

Zijde, de [zijden]

:

 de kant

[side]

 

Zijn [was, is geweest]

:

 bestaan; aanwezig zijn; bezig zijn met; ‘zijn’ geeft aan dat iets of iemand zich in een bepaalde toestand bevindt

[to be; to be present]

 

Zitten [zat, heeft gezeten]

:

 op je achterwerk rusten; zich op een bepaalde plaats bevinden

[to sit; to be]

 

Zodat [conj]

:

 ‘zodat’ leidt een gevolg in

[(so) that; to]

 

Zoeken [zocht, heeft gezocht]

:

 trachten te vinden

[to search; to look for]

 

Zonder [prep]

:

 <=> met

[without]

Go to top

University College London - Gower Street - London - WC1E 6BT - Telephone: +44 (0)20 7679 2000 - Copyright © 1999-2007 UCL


Search by Google