Zestiende en zeventiende-eeuwse taal: een korte handleiding
Deze inleiding
is gebaseerd op L. Koelmans, Inleiding tot het
lezen van zeventiende-eeuws Nederlands (1978). De volledige tekst van dit
werk kan je online consulteren in de Digitale
Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (op http://www.dbnl.org/tekst/koel004inle01_01/).
Zestiende en zeventiende-eeuwse grammatica en syntaxis
Verbuigingen en vervoegingen
De naamvallen (transl. = cases) van het Nederlands van de zestiende
en zeventiende eeuw doen vaak aan het Duits denken. In het tegenwoordige
Nederlands is van de oude verbuigingen niet veel meer over. Dit is in 16de
en 17de-eeuwse teksten heel anders. Naamvallen geven de syntactische
functies aan van zinsdelen of zinsdeel-delen. Anders
gezegd: ze geven de betrekking (transl. = relationship) aan tot andere delen van de zin. Maar wees
gerust, je hoeft die verbuigingen niet uit je hoofd te leren. Je moet er alleen
maar wat van weten zodat je de teksten zonder al te veel problemen kan lezen!
Denk eraan dat de verbuigingen in de teksten soms onsystematisch zijn. Eerst
gaan we het hebben over de adjectieven.
Adjectief (adjective):
-E, -(e)s, -(e)r en -(e)n zijn
uitgangen van adjectieven
die je kan tegenkomen. Vormen op -(e)n komen voor bij voorwerpen, b.v.:
wy saghen eenen grooten
hooghen berch (‘wij zagen een grote hoge berg’)
Als een vorm op -(e)r bij een enkelvoudig vrouwelijk substantief
staat, dan is er sprake van een genitief (de genitief is de naamval die
gebruikt wordt om een relatie met een zelfstandig naamwoord uit te drukken. In hedendaags Nederlands wordt deze relatie door het voorzetsel van uitgedrukt) of datief (de datief
geeft vaak het indirecte object weer), b.v.:
der gantscher aerde (‘van de ganse aarde) is
een genitief; tsijnder eere (‘te zijner eer’; transl. = in
his honour) is een datief
Let erop dat
vormen op -er soms moeilijk te onderscheiden zijn van
comparatieven/vergelijkende trappen, b.v.:
met
luider stemme (‘met
luidere stem’)
Lidwoord (article):
Bij de lidwoorden
de en het ontmoeten we de vormen des, der en den. Daarvan smelten der en den in de spelling vaak samen met
voorafgaande voorzetsels, b.v.:
totte brugge (‘tot de brug’); uytter
zee (‘uit de zee’)
Ook de
en het zelf doen dat, met voorafgaande én volgende woorden, b.v.:
tstuck
(‘het stuk’); tkint
(‘het kind’)
De vorm den
begeleidt niet alleen mannelijke substantieven, maar ook onzijdige, en wel als
datief bij het, b.v.:
van den kinde (‘van het
kind’)
Ook kan den
een meervoudige datief aangeven, of het substantief nu mannelijk of vrouwelijk
is, b.v.:
van den
kinderen
Der kan een genitief of datief vrouwelijk enkelvoud inleiden, en een genitief
meervoud van elk geslacht (transl. = gender), b.v.:
tot laat
in der nacht is een datief enkelvoud; 't voetvolck der Spaenschen (‘het
voetvolk van de Spanjaarden’; transl. = the Spanish infantry) is een genitief
meervoud
Des vergezelt ook wel eens vrouwelijke substantieven, b.v.:
des coninginnes hand (‘de
hand van de koningin’)
Persoonlijk
voornaamwoord (personal pronoun):
Bij de persoonlijke
voornaamwoorden kan men
naast mij/me ook mijn/men ontmoeten in teksten. Je en jij
komt men nog weinig tegen: de gangbare (transl. = usual) vorm is ghij. Gaat de persoonsvorm vooraf, dan komt in de
zestiende en zeventiende eeuw nog vrij vaak een variant van ghij
voor, namelijk –y. Die -y wordt
gewoonlijk vastgeschreven aan de voorafgaande
persoonsvorm, b.v.:
meugdy (‘moogt ge/mag je’)
De derde
persoon meervoud (sij/se)
heeft als vormen hun, hen en haer (ook heur of huer). Dat haer wordt
gebruikt voor alle drie de geslachten.
Wederkerend
voornaamwoord (reflexive pronoun):
Het wederkerende
voornaamwoord van de derde persoon is sich,
maar vaak ook hem / haer; voor het meervoud
wordt haer / hun / hen gebruikt.
Aanwijzend
voornaamwoord (demonstrative pronoun):
Naast de nu
gebruikelijke aanwijzende
voornaamwoorden komen minder bekende voor als deselve
/ hetselve, desulcke(n)
(‘zulke mensen’) en sulckx (‘dat’).
Bezittelijk
voornaamwoord (possessive pronoun):
Bij de bezittelijke
voornaamwoorden komt hun (soms ook hen en haer) al voor voor de
derde persoon meervoud van alle geslachten; voor het vrouwelijke enkelvoud ook haer of (d)er, b.v.:
met 'er gezicht (‘met haar gezicht’)
Betrekkelijk
voornaamwoord (relative pronoun):
De betrekkelijke
voornaamwoorden die / dat en welke
worden al gebruikt. Minder bekend zijn dewelke
/ (he)twelcke (‘die /
dat’). Het betrekkelijke dat kan een enkelvoudig of meervoudig
antecedent van elk geslacht hebben, b.v.:
hy
heeft twee sonen dat advocaten zijn (‘hij heeft twee zonen
die advocaten zijn’)
Substantief (noun):
Vele substantieven
kunnen in onverbogen (transl. = uninflected)
vorm nog een -e hebben, b.v.:
oghe
(‘oog’); mensche
Een aantal
substantieven (van alle geslachten) kan in de genitief enkelvoud op -en
eindigen, b.v.:
der kercken (‘van de kerk’)
Het meervoud is
soms verschillend van het onze, b.v.:
mans
(‘mannen’); boots (‘boten’)
Werkwoord (verb):
De regelmatige
of zwakke werkwoorden
bieden de minste problemen. De eerste persoon enkelvoud van de tegenwoordige
tijd (bij zwakke en sterke werkwoorden) eindigt vaak nog op –e, b.v.:
ick blijve (‘ik
blijf’)
In de zwakke verleden tijd enkelvoud is de uitgang -en
niet ongewoon, dus bijvoorbeeld:
ick
hoorden (‘ik hoorde’)
In de verleden tijd heeft ghij
vaak de persoonsvorm op –t, b.v.:
ge schreeft (‘ge
schreef’)
Het aantal
onregelmatige of sterke werkwoorden is groter dan nu (maar er bestond ook een
tendens sterke werkwoorden zwak te maken). Verder waren er werkwoorden die toen
meestal zwak waren, maar nu meestal of enkel sterk zijn. Zo kan men dan in de
teksten vormen tegenkomen als:
kiesde
(‘koos’); buigde (‘boog’)
In de verleden tijd enkelvoud van de sterke categorie bergen
/ binden is de oorspronkelijke a nog niet definitief verdrongen (transl. = ousted) door de o
van het meervoud, dus bijvoorbeeld:
vant (‘vond’)
Bijzondere
aandacht vraagt worden. De infinitief is vaak nog werden; de verleden tijd enkelvoud is wart, wort, wert, werde, worde of wiert, het meervoud worden, werden of wierden.
Zinnen
Moeilijkheden met
de 16de en 17de -eeuwse
zinnen ontstaan vaker door hun lengte dan door hun opbouw, die weinig verschilt
van de hedendaagse. Enkele belangrijke verschillen:
·
de volgorde van de
zinsdelen is in het algemeen vrijer dan vandaag. In
hoofdzinnen die met het onderwerp beginnen, kunnen tussen onderwerp en
persoonsvorm andere zinsdelen staan, b.v.:
dit
water, naar hun zeggen, geneest zeer veele ziekten (‘volgens hun zeggen geneest dit water...’)
dat dit
gevonden werden, is niet nieuw, en komt sulx dickwils te gebeuren (‘..., en dat gebeurt vaak’)
zeide mij wien hij meende (‘hij zei me, wie hij bedoelde’)
dit volk
aten alleen vleesch (‘dit volk at enkel
vlees’)
en
rouwt my mynes arbeids niet (‘ik
heb geen spijt van mijn werk')
meer
heeft niemand niet van doen (‘meer heeft
niemand nodig')
Zestiende en zeventiende-eeuwse woorden
Afleidingen en samenstellingen
De woordenschat
wordt in de zestiende en zeventiende eeuw door afleidingen en samenstellingen
sterk uitgebreid. Bij afleiding worden woorden gecombineerd met voor- en achtervoegsels (transl.
= prefixes and suffixes),
dat wil zeggen met taalelementen die niet als afzonderlijk woord voorkomen. Bij
samenstelling worden bestaande woorden tot nieuwe samengevoegd. De systematiek
van afleiding en samenstelling verschilt niet veel van de hedendaagse. De voor- en achtervoegsels van toen komen voor het grootste
deel nu nog voor.
Afleiding (derivative):
Bij de afleidingen
kunnen de voor- en achtervoegsels, vergeleken bij
vandaag, een verschillende spelling hebben, maar toch blijven ze meestal
herkenbaar: -igh (soms -egh),
-loes (‘-loos’), -saem
(‘-zaam’), -heydt
(‘-heid’), -lick (‘-lijk’), -zel (‘-sel’), mes- (‘mis-’), -schop
(‘-schap’), -doem (‘-dom’) enz. Een aantal voorbeelden:
langsaem; gesontheydt
(‘gezondheid’); vreeselick
Het suffix -s,
dat adjectieven vormt (type ‘stads’ enz.), heeft nog de zogenaamde ‘oude
spelling’ met -sch, dus bijvoorbeeld:
Engelsch
(‘Engels’)
Samenstelling (compound):
Bij de samenstellingen
gaat het er vooral om de precieze betekenis te vinden van samenstellingen die
de lezer niet kent. Zo bijvoorbeeld:
ruggebeen (‘ruggegraat;
wervelkolom’; transl. = spine)
Samenstellingen
werden niet altijd aaneengeschreven of -gedrukt. Veel vaker dan nu werd met
verbindingsstreepjes (transl. = hyphen)
gewerkt.
Woordenschat
De moeilijkheid
is dat vele zestiende en zeventiende-eeuwse woorden die ons bekend voorkomen,
betekenissen kunnen hebben die wij niet of nauwelijks meer kennen. Die
betekenissen hoeven daarom nog niet altijd zo ver van de onze af te liggen. Het
is zeker niet nodig meteen naar een (gespecialiseerd) woordenboek te grijpen.
Veel is bij aandachtig lezen uit de context af te leiden.
*
Naast het
nevenschikkende en wordt de variant ende
vaak gebruikt.
*
Het voegwoord want
is meestal nevenschikkend, maar soms onderschikkend.
*
Als nevenschikkend
voegwoord met de betekenis ‘maar’ komt dan voor.
*
Onderschikkende
voegwoorden worden vaak aaneengeschreven met voornaamwoorden of met het
bijwoord (d)er; b.v. alsse (‘als ze’).
*
Gevolgaanduidende
bijzinnen kunnen beginnen met so dat,
sulcx dat en in voegen dat,
voorwaardelijke bijzinnen met so, of, by aldien en so wanneer als (alle ‘als’).
*
Doelaanwijzende
bijzinnen worden ingeleid met op dat of ten eynde,
vergelijkende met als, alsoo, ghelijck
(alle drie ‘zoals’), al (‘alsof, zoals’) en al oft
(‘alsof’).
*
Voegwoorden en
voegwoordelijke groepen die bijzinnen van tijd inleiden, zijn er vele: doe(n),
toe(n), als doe (alle ‘toen’), als (‘toen’), soo
als (‘zodra’), etc.
*
De volgende
voegwoorden leiden zinnen van reden in: doordien (‘doordat’), mits
(‘doordat, aangezien’), vermits (‘omdat’), overmits
(‘omdat’), by aldien
(‘aangezien’), alsoo (‘omdat’), dewijl
(‘omdat’), enz.
Zestiende en zeventiende-eeuwse spelling en leestekens
Spelling
Van zodra de
lezer een aantal bijzonderheden van de 16de en 17de–eeuwse spelling heeft leren doorzien, kan hij of zij de
meeste woorden zonder problemen herkennen. De stap van ghesycht
naar ‘gezicht’ of van noeyt naar ‘nooit’ is
niet zo groot. Let er wel op dat de spelling weinig uniform was.
Medeklinkers (consonants):
De spelling van
de medeklinkers biedt
weinig problemen. De lezer went snel aan het feit dat werkwoorden anders
eindigen dan wij nu gewoon zijn, b.v.:
hij vind; hij vint
Ook voor
sommige substantieven geldt dit, b.v.:
stadt; huyt (‘huid’)
Weinig problemen
veroorzaken ook ck voor k (b.v. volck; ick), x of ckx(s) voor ks
(b.v. strax), g in plaats van ch (b.v. magt; regt) of omgekeerd
(b.v. slach; hooch), gh voor g (b.v. neghen;
oghen), wisseling van s en z (b.v. sich; salich), en qu voor kw (b.v. quam).
Ongewoon voor
ons zijn de talrijke sch-spellingen, b.v.:
tusschen; wasschen
Aan de u
voor v moet men even wennen, evenals aan de i voor j:
seuen (‘zeven’); gheureest
(‘gevreesd’); iaer (‘jaar’)
Dubbele
consonanten op voor ons ongewone plaatsen storen de herkenning maar weinig,
b.v.:
hooffden; vijff
Klinkers en tweeklanken (vowels and diphtongs):
De klinkers en tweeklanken nu. Zo komt men de spelling ae
voor de ‘lange’ a tegen, b.v.:
Spaensche; haer
Oe wordt niet alleen gebruikt in goet, boeck, enz. maar ook wel in posities waar we een
‘lange’ o verwachten, b.v.:
doet (‘dood’)
Soms komen i's
of y's op onverwachte plaatsen voor, b.v.:
gehoirt (‘gehoord’); oirdeel
(‘oordeel’)
De i wisselt ook vaak met y, b.v.:
mooy; leyden (‘leiden’)
Leestekens
De leestekens
kunnen soms een andere waarde hebben dan nu. Puntkomma's (;) hebben soms de
waarde van een komma (,). In plaats van komma's worden ook wel schuine
streepjes (/) gebruikt. Ook de dubbele punt (:) heeft wel eens de waarde van
een komma of van een puntkomma. Hoofdletters komen behalve aan het begin van
een hoofdzin vaak voor bij substantieven. Samenstellingen worden niet altijd
aaneengeschreven, b.v. bouen lijff (‘bovenlijf’;
transl. = upper body), terwijl ook wel eens
aaneengeschreven wordt wat wij gewoon zijn van elkaar te schrijven, b.v. op tdiep (‘op het diepe’). Als weglatingsteken wordt een
hoog geplaatste (transl. = high) komma of apostrof
gebruikt, b.v. kond'ik voor
konde ik. Een tilde of ‘slangetje’ (~)
boven een klinker wijst vaak op een weggelaten n,
b.v. vă (‘van’).