Glossary Modern Dutch

 

This Glossary includes the vocabulary of the text fragments in the General Module. It does not give all possible meanings for every word, only those that are relevant for the texts of the Units. Where possible, the word will be explained in Dutch first, which is then followed by an English translation.Click here for a list of the most commonly used abbreviations in Dutch dictionaries.

Some of the explanations in Dutch are inspired by the Dutch dictionary Nederlands als Tweede taal (NT2) (Van Dale: 2003) and by the online version of Van Dale Hedendaags Woordenboek.

 

A

B

C

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

Q

R

S

T

U

V

W

X

Y

Z

 

 

Aan [vz]

:

[on; by; with; to]

 

Aanbieden [bood aan, heeft aangeboden]

:

 geven

[to offer]

 

Aanduiden [duidde aan, heeft aangeduid]

:

 noemen

[to indicate]

 

Aanvaarden [aanvaardde, heeft aanvaard]

:

 aannemen; accepteren

[to accept]

 

Aanvallen [viel aan, heeft/is aangevallen]

:

 een aanval doen

[to attack]

 

Aanwezig zijn [was aanwezig, is aanwezig geweest]

:

 erbij zijn

[to be present]

 

Achter [vz]

:

 [behind]

 

Afkomst, de

:

 de familie waarin je geboren bent

[descent]

 

Afzonderlijk [bn]

:

 apart; los van andere zaken

[separate]

 

Alle [vnw]

:

 allemaal

[all]

 

Algemeen [bn]

:

 als iets algemeen is, is het voor of van iedereen

[general]

 

Alleen [bw]

:

slechts

[only]

 

Alles [vnw]

:

 [everything]

 

Als [vw]

:

 [when; if; like; as]

 

Ander [bn]

:

 [other]

 

Antwoorden [antwoordde, heeft geantwoord]

:

 een antwoord geven op een vraag

[to answer]

 

Arm [bn]

:

 zielig

[poor]

 

Arm, de [armen]

:

 het deel van je lichaam waar je hand aan zit

[arm]

 

Avond, de [avonden]

:

 het deel van de dag dat volgt op de middag en dat voor de nacht komt

[evening]

Go to top

 

Bedekken [bedekte, heeft bedekt]

:

 iets over iets anders leggen om het te verbergen

[to cover]

 

Bedoeling, de [bedoelingen]

:

 het doel

[intention]

 

Bedreigen [bedreigde, heeft bedreigd]

:

 iemand bang maken

[to threaten]

 

Been, het [benen]

:

 het bot

[bone]

 

Beginnen [begon, is begonnen]

:

 van start gaan

[to start; to begin]

 

Behandelen [behandelde, heeft behandeld]

:

 omgaan met

[to treat]

 

Beide [vnw]

:

 elk van de twee

[each; both]

 

Bekend [bn]

:

 beroemd

[famous]

 

Belangrijk [bn]

:

 van groot belang

[important]

 

Belofte, de [beloften, beloftes]

:

iets waarvan je zegt (belooft) dat je het zult doen

[promise]

 

Beloning, de [beloningen]

:

 iets wat je krijgt als je iets goeds gedaan hebt

[reward]

 

Beminnen [beminde, heeft bemind]

:

 houden van; liefhebben

[to love]

 

Bepaald [bn]

:

 iets wat bepaald is, onderscheidt zich van andere zaken

[specific]

 

Bereiken [bereikte, heeft bereikt]

:

 tot een bepaald punt komen

[to reach]

 

Berg, de [bergen]

:

 een deel van de aarde dat hoog in de lucht uitsteekt

[mountain]

 

Beroven [beroofde, heeft beroofd]

:

 iets stelen van iemand

[to deprive; to steal]

 

Beschikken over [beschikte over, heeft beschikt over]

:

 bij de hand hebben

[to have]

 

Beschouwen als [beschouwde als, heeft beschouwd als]

:

 beoordelen als

[to consider]

 

Bestaan uit [bestond uit, heeft bestaan uit]

:

 uit iets opgebouwd zijn

[to consist of]

 

Betalen [betaalde, heeft betaald]

:

 geld geven omdat je iets gekocht hebt

[to pay]

 

Betekenis, de [betekenissen]

:

 de waarde

[meaning; sense]

 

Bevel, het [bevelen]

:

 de opdracht

[order]

 

Bevelen [beval, heeft bevolen]

:

 iets nadrukkelijk aan iemand opdragen

[to order]

 

Bezitten [bezat, heeft bezeten]

:

 hebben

[to own; to have]

 

Bezoeken [bezocht, heeft bezocht]

:  

 bij mensen thuis komen

[to visit]

 

Bidden [bad, heeft gebeden]

:

 woorden tot God richten

[to pray]

 

Bij [vz]

:

 in de buurt van

[near; by]

 

Binnen [vz]

:

 [in; within]

 

Blad, het [bladeren]

:

 een groen ding dat groeit aan een struik of boom

[leaf]

 

Blijdschap, de

:

 de vreugde

[happiness]

 

Blijven [bleef, is gebleven]

:

 met iets doorgaan

[to stay; to remain]

 

Boom, de [bomen]

:

een grote plant met een stam en takken

[tree]

 

Boter, de

:

een vetstof die van melk gemaakt wordt

[butter]

 

Boven [vz]

:

 [above]

 

Brief, de [brieven]

:

 een tekst die je schrijft en dan per post naar iemand stuurt

[letter]

 

Brug, de [bruggen]

:

 een constructie die de twee zijden van een rivier verbindt

[bridge]

 

Bruid, de [bruiden]

:

 een vrouw die gaat trouwen

[bride]

 

Buiten [vz]

:

 [out; outside]

 

Burger, de [burgers]

:

 de inwoner van een dorp, stad of land

[citizen]

Go to top

 

Daar [bw]

:

 [there]

 

Daarna [bw]

:

 later in de toekomst

[afterwards]

 

Daarom [bw]

:

 om die reden

[therefore; for that reason]

 

Dag, de [dagen]

:

de periode dat het licht is; <=> nacht  

[day]

 

Dan [bw]

:

 [then]

 

Dan [vw]

:

 [than]

 

Dankbaar [bn]

:

 [grateful]

 

Deel, het [delen]

:

 het stuk

[part]

 

Denken [dacht, heeft gedacht]

:

 een bepaalde mening hebben

[to think]

 

Deugd, de [deugden]

:

 de goede eigenschap

[virtue]

 

Diep [bn]

:

 [deep; profound]

 

Dikwijls [bw]

:

 vaak

[often]

 

Ding, het [dingen]

:

 de zaak

[thing]

 

Dochter, de [dochters]

:

 een meisje dat het kind van iemand is

[daughter]

 

Doen [deed, heeft gedaan]

:

 een handeling verrichten

[to do]

 

Donker, het

:

 een toestand met weinig licht

[dark]

 

Dood, de

:

 het einde van je leven

[death]

 

Door [vz]

:

 [because of; through; by]

 

Dopen [doopte, heeft gedoopt]

:

 [to baptise]

 

Dorp, het [dorpen]

:

 een kleine plaats waar mensen wonen

[village]

 

Dragen [droeg, heeft gedragen]

:

 [to carry; to bear]

 

Duidelijk maken [maakte duidelijk, heeft duidelijk gemaakt]

:

 iets gemakkelijk te begrijpen maken

[to make clear]

 

Duren [duurde, heeft geduurd]

:

 een bepaalde tijd nodig hebben

[to last]

 

Durven [durfde, heeft gedurfd]

:

 de moed hebben

[to dare]

 

Dus [vw]

:

 [for that reason]

 

Duur [bn]

:

 niet goedkoop

[expensive]

Go to top

 

Echter [bw]

:

 [however]

 

Eend, de [eenden]

:

 een vogel die in en rond het water leeft

[duck]

 

Eerder [bw]

:

 [rather; sooner]

 

Eer, de [eren]

:

 [honour]

 

Eerlijk [bn]

:

 als je eerlijk bent, spreek je de waarheid

[honest]

 

Eeuwig [bn]

:

 voor altijd

[eteral]

 

Eigen [bn]

:

 [own]

 

Ei, het [eieren]

:

 [egg]

 

Einde, het [einden]

:

 het laatste deel van iets

[end]

 

Elk [vnw]

:

 ieder

[each]

 

Elkaar [vnw]

:

 [each other]

 

Erg [bn]

:

 zeer

[very]

 

Ernstig [bn]

:

 een ernstig iemand denkt veel na en lacht weinig

[serious]

 

Eten [at, heeft gegeten]

:

 voedsel door je mond in je lichaam laten gaan

[to eat]

 

Examen, het [examens]

:

 de test

[exam]

Go to top

 

Gaan [ging, is gegaan]

:

 beginnen met iets te doen; lopen

[to start; to go]

 

Gans [bn]

:

 geheel; volledig

[whole; entire]

 

Gebeuren [gebeurde, is gebeurd]

:

[to happen; to take place]

 

Gebeurtenis, de [gebeurtenissen]

:

 iets wat gebeurd is

[event]

 

Geboren worden [werd geboren, is geboren geworden]

:

 op de wereld komen

[to be born]

 

Geboorteplaats, de [geboorteplaatsen]

:

 de plaats waar je geboren bent

[place of birth]

 

Gebruiken [gebruikte, heeft gebruikt]

:

 [to use]

 

Gedurende [vz]

:

 in de periode van

[during]

 

Geen [vnw]

:

 [not a]

 

Geld, het

:

 munten en papieren waar je iets mee koopt

[money]

 

Geloven [geloofde, heeft geloofd]

:

 denken dat iets waar is

[to believe]

 

Gemakkelijk [bn]

:

 zonder veel moeite

[easy]

 

Gemeenschap, de [gemeenschappen]

:

 de samenleving

[community; society]

 

Genieten [genoot, heeft genoten]

:

 plezier hebben

[to enjoy]

 

Genoeg [bw]

:

 voldoende

[enough]

 

Gerust [bn]

:

 zonder zorgen

[tranquil]

 

Geschikt [bn]

:

 gepast

[fit; appropriate]

 

Getuige, de [getuigen]

:

 iemand die bij een huwelijk of doop aanwezig is

[witness; testimony]

 

Geven [gaf, heeft gegeven]

:

 schenken

[to give]

 

Gewoonlijk [bw]

:

 zoals het meestal is of gebeurt

[usually]

 

Gezond [bn]

:

 niet ziek

[healthy]

 

God, de [goden]

:

 [god]

 

Godsdienst, de [godsdiensten]

:

 het geloof in god en alle regels die daarbij horen

[religion]

 

Goed [bn; beter, best]

:

 niet slecht

[good]

 

Graag [bw]

:

 met plezier

[gladly; willingly]

 

Grijs [bn]

:

 een kleur tussen wit en zwart

[grey]

 

Groeien [groeide, is gegroeid]

:

 groter worden

[to grow]

 

Groep, de [groepen]

:

 een aantal mensen of voorwerpen die bij elkaar horen

[group]

 

Groet, de [groeten]

:

 iets wat je zegt of doet wanneer je iemand ontmoet of wanneer je weggaat

[greeting]

 

Grond, de

:

 de aarde

[ground]

 

Groot [bn]

:

 niet klein

[large; big; tall; great]

Go to top

 

Hart, het [harten]

:

 het deel van je lichaam dat klopt zodat het bloed rondgaat

[heart]

 

Haten [haatte, heeft gehaat]

:

 iets of iemand helemaal niet graag hebben

[to hate]

 

Hebben [had, heeft gehad]

:

 bezitten

[to have]

 

Heel [bn]

:

 geheel; gans

[whole]

 

Heel [bw]

:

 zeer

[very (much)]

 

Heer, de

:

 God

 [Lord]

 

Heilig [bn]

:

 [holy]

 

Heten [heette]

:

 een bepaalde naam hebben

[to be called]

 

Hier [bw]

:

 op deze plaats

[here]

 

Hoe [bw]

:

 [how]

 

Hoewel [vw]

:

 [even though; although]

 

Hoofd, het [hoofden]

:

 de leider van iets; het bovenste deel van je lichaam waarin je mond, neus en ogen zitten

[head]

 

Hoog [bn]

:

<=> laag

[high]

 

Hopen [hoopte, heeft gehoopt]

:

 [to hope]

 

Huisvrouw, de [huisvrouwen]

:

 een vrouw die het huis schoon houdt en voor de kinderen zorgt

[housewife]

 

Huwelijk, het [huwelijken]

:

 het moment waarop iemand trouwt

[marriage]

Go to top

 

Iedereen [vnw]

:

 alle mensen

[everyone]

 

Iemand [vnw]

:

 een onbepaalde persoon

[somebody; someone]

 

Iets [vnw]

:

 een ding

[something]

 

In [vz]

:

 [in]

 

Indruk, de [indrukken]

:

 de impressie

[impression]

 

Indien [vw]

:

 als

[if]

Go to top

 

Jaar, het [jaren]

:

 de tijd tussen 1 januari en 31 december

[year]

 

Jeugd, de

:

 de periode waarin men nog niet volwassen is

[youth]

 

Jong [bn]

:

niet oud

[young]

 

Jongere, de [jongeren]

:

 een persoon die nog niet volwassen is; iemand van jonge leeftijd

[young person]

 

Juist [bn]

:

 goed; correct

[right; correct]

Go to top

 

Kaas, de [kazen]

:

iets om te eten dat van melk gemaakt wordt en dat je op je brood kan doen

[cheese]

 

Kennis, de

:

 het weten hoe of wat iets of iemand is

[knowledge]

 

Kerk, de [kerken]

:

 een groep mensen die samen hetzelfde geloof hebben

[church]

 

Keuken, de [keukens]

:

 de plaats waar het eten gemaakt wordt

[kitchen]

 

Kind, het [kinderen]

:

 het jonge mensje

[child]

 

Kip, de [kippen]

:

 een vogel waarvan de eieren en het vlees gegeten worden

[chicken]

 

Klas, de [klassen]

:

 een groep leerlingen die samen les krijgen

[class]

 

Klein [bn]

:

 niet groot

[small; little]

 

Komen [kwam, is gekomen]

:

 een plaats bereiken

[to come]

 

Koud [bn]

:

 <=> warm

[cold]

 

Krijgen [kreeg, heeft gekregen]

:

 ontvangen

[to get; to receive]

 

Kunnen [kon, heeft gekund]

:

 tot iets in staat zijn

[to be able to; can]

 

Kunst, de [kunsten]

:

 iets wat iemand kan

[art]

 

Kussen [kuste, heeft gekust]

:

 met de lippen aanraken

[to kiss]

Go to top

 

Lachen [lachte, heeft gelachen]

:

 [to laugh]

 

Land, het [landen]

:

 een gebied met grenzen waarin mensen samenleven

[country]

 

Lang [bn]

:

 met grote lengte

[long]

 

Langs [vz]

:

 [along; round]

 

Laten [liet, heeft gelaten]

.

 [to let; to allow]

 

Later [bw]

:

 daarna; in de toekomst

[later]

 

Leerling, de [leerlingen]

:

 iemand die les krijgt

[pupil]

 

Leggen [legde, heeft gelegd]

:

 iets zo plaatsen dat het neerligt

[to lay]

 

Leiden [leidde, heeft geleid]

:

 naar een bepaald punt voeren

[to lead]

 

Leider, de [leiders]

:

 iemand die aan het hoofd van iets staat

[leader]

 

Lelijk [bn]

:

 <=> mooi

[ugly]

 

Leren [leerde, heeft geleerd]

:

 door te studeren of te oefenen iets kunnen

[to learn]

 

Leugen, de [leugens]

:

 iets wat je zegt dat niet waar is

[lie]

 

Leven [leefde, heeft geleefd]

:

 <=> dood zijn

[to live]

 

Leven, het [levens]

:

 het bestaan van iemand van zijn geboorte tot zijn dood

[life]

 

Lichaam, het [lichamen]

:

 het lijf

[body]

 

Licht, het

:

 de energie van de zon of een lamp waardoor men kan zien

[light]

 

Lief [bn]

:

 aardig

[sweet; kind]

 

Liefde, de [liefdes]

:

 de gevoelens die je hebt voor iemand waarvan je houdt

[love]

 

Lof, de

:

 wat men zegt om iemand te prijzen

[praise]

 

Lopen [liep, heeft gelopen]

:

 gaan

[to walk]

 

Lucht, de

:

 het gas dat wij inademen en dat rond ons is

[air]

 

Lui [bn]

:

 afkerig van werk of inspanning

[lazy]

 

Luisteren [luisterde, heeft geluisterd]

:

 [to listen]

Go to top

 

Maar [vw]

:

 [but]

 

Macht, de [machten]

:

 de invloed die iemand heeft door zijn baan

[power]

 

Maken [maakte, heeft gemaakt]

:

 doen ontstaan

[to make]

 

Man, de [mannen]

:

 de mannelijke persoon

[man]

 

Manier, de [manieren]

:

 de wijze

[way; manner]

 

Meisje, het [meisjes]

:

 een kind van het vrouwelijke geslacht

[girl]

 

Men [vnw]

:

 [one]

 

Menen [meende, heeft gemeend]

:

 geloven

[to believe]

 

Mens, de [mensen]

:

 de persoon

[human; man; plur: people]

 

Met [vz]

:

 [with]

 

Middel, het [middelen]

:

 iets waarmee je een bepaald doel probeert te bereiken

[means]

 

Missen [miste, heeft gemist]

:

 het erg vinden dat iemand of iets er niet is

[to miss]

 

Moe [bn]

:

 iemand die moe is, wil rusten of slapen

[tired]

 

Moeder, de [moeders]

:

 een vrouw die een kind heeft

[mother]

 

Moeilijkheid, de [moeilijkheden]

:

 iets wat moeilijk is; het probleem

[difficulty]

 

Moeite, de [moeiten]

:

 de inspanning die nodig is om iets te doen

[effort]

 

Moeten [moest, heeft gemoeten]

:

 noodzakelijk zijn

[to have to]

 

Mogen [mocht, heeft gemogen]

:

 toestemming hebben

[to be allowed; may]

 

Momenteel [bw]

:

 nu

[at the moment; now]

 

Morgen, de [morgens]

:

 het eerste deel van de dag

[morning]

 

Mooi [bn]

:

 <=> lelijk

[beautiful; pretty]

Go to top

 

Naam, de [namen]

:

 het woord dat zegt hoe iemand heeft

[name]

 

Naar [vz]

:

 [in the direction of; to]

 

Naast [vz]

:

 [beside]

 

Nadat [vw]

:

 [after]

 

Nadeel, het [nadelen]

:

 iets wat niet gunstig is

[disadvantage]

 

Neerliggen [lag neer, heeft neergelegen]

:

 op de grond liggen

[to lie down]

 

Niemand [vnw]

:

 geen enkele persoon

[nobody; no-one]

 

Niet [bw]

:

 [not]

 

Niets [vnw]

:

 [nothing]

 

Nieuw [bn]

:

 <=> oud

[new]

 

Nodig [bn]

:

 iets wat nodig is, kan niet gemist worden

[necessary]

 

Noemen [noemde, heeft genoemd]

:

 vermelden door de naam te zeggen

[to call; to name]

 

Nog [bw]

:

 [still; even]

 

Nu [bw]

:

 op dit moment

[now]

Go to top

 

Of[vw]

:

 [whether; or]

 

Omdat [vw]

:

[because]

 

Onder [vz]

:

 [under; below]

 

Ondervragen [ondervroeg, heeft ondervraagd]

:

 vragen stellen tijdens een examen; overhoren

[to test]

 

Onderwijzen [onderwees, heeft onderwezen]

:

 kennis overbrengen

[to teach]

 

Ontbreken [ontbrak, heeft ontbroken]

:

 missen; weg zijn

[be lacking; be missing]

 

Ontkomen aan [ontkwam aan, is ontkomen aan]

:

 ontsnappen aan

[to escape from]

 

Ook [bw]

:

 [also; too]

 

Oordelen [oordeelde, heeft geoordeeld]

:

 [to judge]

 

Oorlog, de [oorlogen]

:

een ruzie tussen twee groepen of landen waarbij er met wapens gevochten wordt

[war]

 

Oorzaak, de [oorzaken]

:

 de reden

[cause]

 

Oosten, het

:

 de plaats waar de zon opkomt

[the East]

 

Op [vz]

:

 [on; at]

 

Opdat [vw]

:

 [in order to]

 

Ouder, de [ouders]

:

 de vader of moeder van een kind

[parent]

 

Over [vz]

:

 [across; about]

 

Overal [bw]

:

 op alle plaatsen

[everywhere]

 

Overwinning, de [overwinningen]

:

 het verslaan van iemand in een gevecht of wedstrijd

[victory]

Go to top

 

Paar, een

:

 een aantal

[a few; a couple]

 

Pijn, de [pijnen]

:

een ellendig gevoel in je lichaam; het verdriet

[pain; suffering]

 

Plaats, de [plaatsen]

:

 een punt op aarde; de plek

[place; spot]

 

Politie, de

:

 de groep mensen die de orde in een land houden

[police]

 

Proberen [probeerde, heeft geprobeerd]

:

 zich inspannen om iets te bereiken; trachten

[to try]

 

Probleem, het [problemen]

:

 een moeilijke situatie

[problem]

Go to top

 

Raad, de

:

 de dingen die je zegt om iemand te helpen

[counsel; advice]

 

Reden, de [redenen]

:

 het feit waarom iemand iets bepaald doet

[reason]

 

Reeds [bw]

:

 al

[already; yet]

 

Regering, de [regeringen]

:

 het bestuur van een land

[government]

 

Reis, de [reizen]

:

 de tocht

[journey]

 

Rest, de [resten]

:

 dat wat er overblijft

[remainder; rest]

 

Rijk [bn]

:

met veel geld

[rich]

 

Rijk, het [rijken]

:

 het gebied waarover een leider heerst

[realm; state; kingdom]

 

Roepen [riep, heeft geroepen]

:

 met luide stem zeggen

[to shout]

 

Rots, de [rotsen]

:

 een stuk steen buiten

[rock]

 

Rust, de

:

 de toestand waarin je niets doet

[rest]

Go to top

 

Schaamte, de [schaamten, schaamtes]

:

 een slecht gevoel dat je hebt wanneer je iets fouts gedaan hebt

[shame]

 

Schaap, het [schapen]

:

 een dier met vier poten dat wol geeft

[sheep]

 

Schaduw, de [schaduwen]

:

 een plaats waar de zon niet schijnt zodat het er donker is

[shade]

 

Scheiden [scheidde, heeft gescheiden]

 

in delen of groepen verdelen; splitsen

[to separate]

 

Schijnen [scheen]

:

 de indruk geven

[to appear]

 

Schilderen [schilderde, heeft geschilderd]

:

 met verf een afbeelding maken

[to paint]

 

School, de [scholen]

:

 een plaats waar leerlingen les krijgen

[school]

 

Schoonheid, de [schoonheden]

:

 het feit dat iemand of iets mooi is

[beauty]

 

Schreeuwen [schreeuwde, heeft geschreeuwd]

:

 hard roepen

[to scream; to shout]

 

Schuld, de

:

 de verantwoordelijkheid voor een fout die je maakt

[fault; responsibility]

 

Slagen in [slaagde in, is geslaagd in]

:

 iets met succes doen

[to succeed]

 

Slecht [bn]

:

 <=> goed

[bad; evil]

 

Slordig [bn]

:

 met weinig zorg

[careless]

 

Sommige [vnw]

:

 een aantal

[some; certain]

 

Stad, de [steden]

:

 een plaats waar veel mensen samen wonen

[city; town]

 

Steeds [bw]

:

 [always; constantly]

 

Sterven [stierf, is gestorven]

:

 dood gaan

[to die]

 

Stok, de [stokken]

:

een lang en dun stuk hout

[stick]

 

Strand, het [stranden]

:

 een plaats aan zee bedekt met zand of stenen

[beach]

 

Studie, de [studies]

:

 iets wat je studeert

[study]

Go to top

 

Te [bw]

:

 [too]

 

Tegenover [vz]

:

 [towards]

 

Terug [bw]

:

weer naar de plaats waar je van vertrokken bent

[back]

 

Terwijl [vw]

:

 [while]

 

Tijd, de [tijden]

:

het opeenvolgen van momenten

 [time]

 

Tijdens [vz]

:

 [during]

 

Toen [bw]

:

 [then; at that time]

 

Toen [vw]

:

 terwijl; op het moment dat

[while; when]

 

Tot [vz]

:

 [(up) to; until]

 

Treffen [trof, heeft getroffen]

:

 raken

[to hit; to touch]

 

Trouwen [trouwde, is getrouwd]

:

 iemand tot man of vrouw nemen

[to marry]

Go to top

 

Uit [vz]

:

 [out (of); from]

 

Uitkomen [kwam uit, is uitgekomen]

:

 opengaan zodat er een dier geboren wordt

[to hatch]

 

Uitschelden [schold uit, heeft uitgescholden]

:

 lelijke woorden tegen iemand zeggen

[to insult]

Go to top

 

Vaak [bw]

:

 veel keer

[often]

 

Vader, de [vaderen, vaders]

:

de man die een zoon of dochter heeft

[father]

 

Vals [bn]

:

 gemeen

[false]

 

Van [vz]

:

 [of]

 

Vasthouden [hield vast, heeft vastgehouden]

:

 in de hand of handen houden

[to hold]

 

Veel [bn; meer, meeste]

:

 een groot aantal

[many; a lot]

 

Ver [bn]

:

 op een grote afstand

[far]

 

Verandering, de [veranderingen]

:

 het moment waarop iets of iemand verandert

[change]

 

Verdelen [verdeelde, heeft verdeeld]

:

 in stukken delen

[to divide]

 

Verdienen [verdiende, heeft verdiend]

:

 iets ontvangen voor je werk

[to earn]

 

Verdrietig [bn]

:

 droevig; niet blij

[sad]

 

Vergelijken [vergeleek, heeft vergeleken]

:

[to compare]

 

Verklaren [verklaarde, heeft verklaard]

:

 duidelijk maken

[to explain]

 

Verlangen [verlangde, heeft verlangd]

:

 naar iets uitkijken

[desire]

 

Verlaten [verliet, heeft verlaten]

:

 weggaan van iemand of iets

[to leave]

 

Verlies, het [verliezen]

:

 wat verloren gaat

[loss]

 

Vernemen [vernam, heeft vernomen]

:

 te weten komen

[to hear; to find out]

 

Vernietigen [vernietigde, heeft vernietigd]

:

 zo vernielen dat alles weg is

[to destroy]

 

Verschillend [bn]

:

 anders

[different]

 

Verslag, het [verslagen]

:

 een verhaal over iets wat gebeurd is

[account]

 

Vertellen [vertelde, heeft verteld]

:

 zeggen

[to tell]

 

Vervolgens [bw]

:

 daarna

[next]

 

Vinden [vond, heeft gevonden]

:

 van mening zijn

[to find]

 

Vlees, het

:

 een deel van het lichaam van een dier dat je kan opeten

[meat]

 

Vleugel, de [vleugels]

:

 het deel waarmee een vogel of insect kan vliegen

[wing]

 

Vliegen [vloog, heeft gevlogen]

:

 zich door de lucht voortbewegen

[to fly]

 

Voelen [voelde, heeft gevoeld]

:

 een zeker gevoel hebben

[to feel]

 

Vogel, de [vogels]

:

een dier met vleugels en een snavel

[bird]

 

Voldoende [bw]

:

 genoeg

[sufficient; enough]

 

Volgen [volgde, heeft/is gevolgd]

:

 in dezelfde richting gaan als iets of iemand anders

[to follow]

 

Volk, het [volkeren]

:

een grote groep mensen; mensen die samen in een land wonen

[people; nation; race]

 

Voor [vz]

:

 [before; for]

 

Voortaan [bw]

:

 van nu af aan

[from now on]

 

Vragen [vroeg, heeft gevraagd]

:

 een vraag stellen

[to ask]

 

Vrede, de

:

 er is vrede, wanneer er niet gevochten wordt

[peace]

 

Vreemd [bn]

:

 niet gewoon

[strange]

 

Vriend, de [vrienden]

:

 iemand die je graag hebt en met wie je een band hebt

[friend]

 

Vroeg [bn]

:

 <=> laat

[early]

 

Vrouw, de [vrouwen]

:

de persoon die getrouwd is met een man

[woman; wife]

 

Vrucht, de [vruchten]

:

 iets wat aan een boom of struik groeit en wat je vaak kan eten

[fruit]

Go to top

 

Waaien [waaide, heeft gewaaid]

:

 het bewegen van de lucht

[to blow]

 

Waar [bw]

:

 [where]

 

Waarheid, de [waarheden]

:

 iets wat waar is

[truth]

 

Waarom [bw]

:

 om welke reden

[why]

 

Wandelen [wandelde, heeft gewandeld]

:

 stappen voor je plezier

[to walk]

 

Want [vw]

:

 [because]

 

Weduwe, de [weduwen, weduwes]

:

 een vrouw wiens man dood is

[widow]

 

Week, de [weken]

:

 de periode van maandag tot zondag

[week]

 

Weer, het

:

 de omstandigheden buiten

[weather]

 

Weinig [telw]

:

 niet veel

[few]

 

Welk [vnw]

:

 [which]

 

Wenen [weende, heeft geweend]

:

 huilen

[to cry]

 

Wereld, de

:

 de aarde waarop alle mensen wonen

[world]

 

Werk, het [werken]

:

 de arbeid; de klus; een ding dat een kunstenaar heeft gemaakt

[work; job]

 

Werken [werkte, heeft gewerkt]

:

 arbeid verrichten

[to work]

 

Weten [wist, heeft geweten]

:

 kennis hebben van iets

[to know]

 

Wijs [bn]

:

 verstandig

[wise]

 

Wijze, de [wijzen]

:

 de manier

[way]

 

Willen [wilde, heeft gewild]

:

 verlangen; graag hebben

[to want]

 

Wind, de [winden]

:

 de lucht die buiten waait

[wind]

 

Winter, de [winters]

:

 de koudste periode van het jaar die loopt van december tot maart

[winter]

 

Wonen [woonde, heeft gewoond]

:

 [to live]

 

Woord, het [woorden]

:

 een groep letters die samen een betekenis hebben

[word]

 

Worden [werd, is geworden]

:

 [will be; to be; to get; to become]

 

Wreed [bn]

:

 opzettelijk en zonder reden hard

[cruel]

Go to top

 

Zee, de [zeeën]

:

 veel zout water dat een groot deel van de aarde bedekt

[sea]

 

Zeer [bw]

:

 erg

[very]

 

Zeggen [zei, heeft gezegd]

:

 vertellen

[to say]

 

Zelfs [bw]

:

 [even]

 

Zenden [zond, heeft gezonden]

:

 sturen

[to send]

 

Zich gedragen [gedroeg zich, heeft zich gedragen]

:

 op een bepaalde manier doen

[to behave]

 

Zien [zag, heeft gezien]

:

 met je ogen waarnemen

[to see]

 

Zijde, de [zijden]

:

 de kant

[side]

 

Zijn [was, is geweest]

:

 bestaan

[to be]

 

Zingen [zong, heeft gezongen]

:

 met je stem een lied of tonen laten horen

[to sing]

 

Zitten [zat, heeft gezeten]

:

 op je achterwerk rusten

[to sit]

 

Zoals [vw]

:

 [such as]

 

Zodat [vw]

:

 [(so) that; to]

 

Zoeken [zocht, heeft gezocht]

:

 trachten te vinden

[to search; to look for]

 

Zon, de [zonnen]

:

 [sun]

 

Zondag, de [zondagen]

:

 de laatste dag van de week

 [Sunday]

 

Zonder [vz]

:

 [without]

 

Zot, de [zotten]

:

 de gek; de idioot

[fool; crazy person]

 

Zoveel [telw]

:

 [as much; as many]

 

Zus, de [zussen]

:

 een meisje of vrouw die dezelfde ouders heeft als jij

[sister]

 

Zwak [bn]

:

 met weinig kracht; niet sterk

 weak

Go to top