Herhaalles 4: Jan Jansz Orlers, Beschrijvinge der stad Leyden (1614)

 

 

 

Inleiding

 

De taken in deze vierde en laatste herhaalles zijn dezelfde als degene die je in Units 16 tot 20 hebt gemaakt. In de Herhaalles en Test 4 wordt nagegaan hoeveel kennis je hebt opgedaan in de laatste vijf Units. Mocht je problemen ondervinden bij het beantwoorden van de vragen, dan raden we je aan Units 16 tot 20 eerst te herzien alvorens te beginnen aan de Gespecialiseerde Modules. Ondervind je geen moeilijkheden met Herhaalles en Test 4, dan kan je van start gaan met een van de Gespecialiseerde Modules.

De tekst die je hier zult lezen, ben je eerder tegengekomen in Unit 7 in verkorte en aangepaste vorm.  

 

Als je de inleiding in het Engels wil lezen, klik dan hier.  

 

 

 

Tekstfragment - Text Fragment

 

Intern is de School gescheiden en verdeeld in zes afzonderlijke scholen of klassen, die te vergelijken zijn met trappen of graden, waarbij de ene op de andere volgt om zo tot de volmaaktheid te komen en te geraken, die nodig is om aan de Hoge School te beginnen. Elke klas wordt met een bepaalde naam aangeduid en wordt een bepaalde Meester toegewezen, die de leerlingen die onder zijn hoede gesteld zijn, alle boeken die hen zijn opgelegd, moet uitleggen en verklaren. Tweemaal per jaar, in de weken voor Pasen en in de week voor Kerstmis, worden de jongeren geëxamineerd en ondervraagd door de Rector, om na te gaan hoever ze in hun studies gekomen zijn en of ze sinds de laatste examens wel voldoende gevorderd zijn. Hij die bevonden wordt het best geleerd te hebben, wordt met eergiften vereerd, en in de volgende klas geplaatst, om zo van klas tot klas te gaan, totdat hij op het punt komt dat hij door de Rector zelf onderwezen wordt. Eens tot perfectie gekomen, gaan de leerlingen naar de Hoge School of Academie.

 

 

Voor de tekst in originele versie / The original text can be found in:

Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren at http://www.dbnl.org/tekst/orle001besc01_01/.

 

 

Taak 1: Lezen - Task 1: Reading

 

Neem de volgende vijf zinnen over. Lees ze aandachtig en onderlijn alle lijdende vormen.

 

Copy the following five sentences. Read them and underline all passive voices.

   

  1. Intern is de School gescheiden en verdeeld in zes afzonderlijke scholen of klassen, die te vergelijken zijn met trappen of graden, waarbij de ene op de andere volgt om zo tot de volmaaktheid te komen en te geraken, die nodig is om aan de Hoge School te beginnen.
  2. Elke klas wordt met een bepaalde naam aangeduid en wordt een bepaalde Meester toegewezen, die de leerlingen die onder zijn hoede gesteld zijn, alle boeken die hen zijn opgelegd, moet uitleggen en verklaren.
  3. Tweemaal per jaar, in de weken voor Pasen en in de week voor Kerstmis, worden de jongeren geëxamineerd en ondervraagd door de Rector, om na te gaan hoever ze in hun studies gekomen zijn en of ze sinds de laatste examens wel voldoende gevorderd zijn.
  4. Hij die bevonden wordt het best geleerd te hebben, wordt met eergiften vereerd, en in de volgende klas geplaatst, om zo van klas tot klas te gaan, totdat hij op het punt komt dat hij door de Rector zelf onderwezen wordt.
  5. Eens tot perfectie gekomen, gaan de leerlingen naar de Hoge School of Academie.

 

Ben je klaar? Kijk dan hier je antwoorden na. / Have you finished? Click here to check your answers.

 

 

Taak 2: Woordenschat: vertalen - Task 2: Vocabulary: Translating

 

Zoek de volgende woorden en samenstellingen op in een vertaalwoordenboek. Kies een (Engelse) vertaling die past in het tekstfragment. Vertaal de stam, niet de vorm van het woord die je in de tekst aantreft.

 

Look up the following words and compounds in a bilingual dictionary. Identify a translation that fits in the context of the fragment. You should translate the stem, not the word as it appears in the text.

 

Zin 1:

  1. gescheiden
  2. de trappen
  3. geraken

 

Zin 2:

  1. toegewezen
  2. de hoede
  3. opgelegd

 

Zin 3:

  1. hoever
  2. gevorderd

 

Zin 4:

  1. bevonden

 

Van zodra je klaar bent met deze oefening, kan je hier je antwoorden nakijken.

 

Once you have finished, click here to compare your answers.

 

 

Taak 3: Definities en synoniemen opzoeken in het woordenboek - Task 3: Looking up Definitions and Synonyms in a Dictionary

 

Zoek in het onlinewoordenboek Van Dale Hedendaags Nederlands naar definities of synoniemen voor vijf woorden uit de tekst. Kies enkel synoniemen en definities die in de context van het fragment passen. Geef een definitie/synoniem voor de stam, niet voor de vorm van het woord die je in de tekst aantreft. Door hier te klikken, kom je bij de oefening.

 

Please look for a synonym/definition in the online dictionary Van Dale Hedendaags Nederlands for five words from the text. Please only choose synonyms/definitions that fit in the context of the text fragment. You should give a definition/synonym for the stem, not for the word as it appears in the text. Please click here to enter the exercise.

 

 

Taak 4: Grammatica en syntaxis - Task 4: Grammar and Syntax

 

Beantwoord de volgende vragen over de grammatica en syntaxis.

 

Now answer the following grammatical and syntactical questions.

 

Zin 1:

  1. Zoek de onderwerpen van alle bijzinnen. / Identify the subjects of all the subclauses.
  2. Zoek alle infinitieven. / Find all infinitive forms.
  3. Naar welk woord/woorden verwijst die (die nodig is) terug? / Which word/words does die (die nodig is) refer to?

 

Zin 2:

  1. Zoek een voorzetselvoorwerp. / Identify a prepositional object.

 

Zin 3:

  1. Zoek de indirecte rede. / Find the indirect speech.
  2. Wat is het onderwerp van de hoofdzin? / Identify the subject of the main clause.

 

Zin 4:

  1. Zoek de persoonsvormen van de bijzinnen. / Find the finite verbs of the subclauses.

 

Zin 5

  1. Wat is het onderwerp van de hoofdzin? / Find the subject of the main clause.

 

Ben je klaar? Kijk dan hier je antwoorden na. / Have you finished? Click here to check your answers.

 

 

Taak 5: Tekstbegrip - Task 5: Text Comprehension

 

Beantwoord de volgende vragen over de inhoud van de tekst. Je antwoorden moet je uit de Nederlandse tekst halen.

 

Now answer the following questions on the content of the text. Try to answer in Dutch using a sentence, a part of the sentence or a word from the text.

 

  1. Wat is nodig om aan de Hoge School te beginnen (zie zin 1)? / What is needed to start studying at the ‘Hoge School’?
  2. Wat moet de meester doen voor zijn leerlingen (zie zin 2)? / What is the Master expected to do for his pupils?
  3. Waarom worden de leerlingen ondervraagd door de Rector (zie zin 3)? / Why does the Headmaster test the pupils?
  4. Wie onderwijst de hoogste klas (zie zin 4)? / Who teaches the highest grade?

 

Klik hier om je antwoorden na te kijken. / Click here to check your answers.

 

 

Taak 6: Vertaling - Task 6: Translation

 

Maak een duidelijke en vloeiende Engelse vertaling van de tekst. Van zodra je klaar bent, kan je hier je vertaling nakijken.

 

Try to make a clear and fluent English translation of the text. After finishing, click here to compare your translation.

 

 

Taak 7: Woordenlijst - Task 7: Glossary

 

Tenslotte vragen we je de volgende woorden uit de tekst in te studeren.

 

Finally, you should try to memorise the following words from the text. 

 

1.      scheiden: in delen of groepen verdelen; splitsen [to separate; verb]

2.      verdelen: in stukken delen [to divide; verb]

3.      afzonderlijk: apart; los van andere zaken [separate; adj]

4.      vergelijken: vaststellen wat verschillend en wat hetzelfde is [to compare; verb]

5.      nodig: iets wat nodig is, kan niet gemist worden [necessary; adj]

6.      bepaald: iets wat bepaald is, onderscheidt zich van andere zaken [specific; adj]

7.      aanduiden: noemen [to indicate; verb]

8.      de leerling: iemand die les krijgt [pupil; noun]

9.      verklaren: duidelijk maken [to explain; verb]

10.  de jongere: een persoon die nog niet volwassen is; iemand van jonge leeftijd [young person; noun]

11.  ondervragen: (hier) vragen stellen tijdens een examen; overhoren [to test; verb]

12.  de studie: iets wat je studeert [study; noun]

13.  voldoende: genoeg [enough; adv]

14.  onderwijzen: kennis overbrengen [to teach; verb]

 

Als je je kennis van de woordenschat wil testen, klik dan hier. / Next, please click here to test your vocabulary knowledge.

 

Klik hier voor Test 4. Klik hier om terug te keren naar de home page.

 

Click here to go to Test Session 4. Click here for the home page.